cmda-bt / cmda-bt/fe-course-20-21

Samenvattingen hoofdstukken 4, 13 & 14 van Tim de Roller

Open
#32 0 comments 0 reactions 0 assignees View on GitHub
Dominant language
No language data
Stars
30
Forks
2
PR merge metrics
No merged PRs in 30d

Description

- Chapter 4: Datastructures: Objects and Arrays

Je kan in een array waardes zetten, en ze dan oproepen. Een array begint bij 0 en telt dan op. Dus de eerste waarde is 0. Zo zet je een array neer:

let (var maar dan beter) NaamVanArray = [ 2, 3, 5, 7 ,11 ];

Zo roep je het op:
console.log(NaamVanArray[2]);

Als je altijd de laatste waarde wilt van de array kun je NaamVanArray.length doet krijg je bij dit voorbeeld 5. Moet je wel nog -1 doen, want de array begint bij 0, niet bij 1. Met Math.max geeft het de grootste value terug.

Als je null of undefined doet krijg je een error, dus dat moet je vermijden.

Je kan properties op 2 manieren aanroepen: met . en []. Met de . is het woord na de punt letterlijk de naam van de property. Bij de [] wordt wat er tussen de haakjes staat geëvalueerd en in een string gezet.

Met de table n wordt ϕ uitgerekend met een formule. Hier komt ϕ ≈ 0.069 uit, nice.

Met de push method voeg je een value aan het einde van een array toe, met de pop method doe je het tegenovergestelde.

Een manier om een object te maken is met braces {}. In de braces zet je komma’s achter de properties zodat je ze van elkaar afscheid. Als je een property probeert te lezen die nog niet bestaat komt er undefined te staan, en hier krijg je dan weer een error van als je ermee iets probeert te doen. Je kan ook een object met de delete property weg halen, als je dat doet komt er false te staan en niet undefined.

Met object.keys kan je gemakkelijk welke properties een object heeft en met object assign neemt het de properties over naar een anders object. Je kan ook met een speciale for loop de array herhalen.

#
- Chapter 13: Javascript and the browser

Computers communiceren door bits naar elkaar te sturen en beide computers moeten weten wat die bits betekenen. Een netwerk protocol beschrijft een stijl van communicatie, bijvoorbeeld voor het verzenden en ontvangen van emails en het sharen van files.

HTTP (Hypertext Transfer Protocol) is om bijvoorbeeld stukken informatie op te nemen zoals websites en foto’s. Het oproepen kan er zo uitzien: GET /index.html HTTP/1.1.

Een Transmission Control Protocol zorgt ervoor dat de ene computer pas begint met luisteren als de andere computer wilt gaan praten en andersom. Om te kunnen luisteren naar verschillende computers zijn er ports. Deze nummers zijn gekoppeld zodat er geluisterd kan worden naar meerdere machines.

Elk document op het web is een URL (Uniform Resource Locator). Het eerste deel van een URL gebruikt het HTTP protocol, of als je een encrypted http heb dan is het https:// en daarna komt het document.

HTML staat voor Hypertext Markup Language, dit is het format wat gebruikt wordt om webpages te maken. Hierin kan je met tags de structuur van de pagina maken.

In de HTML kan je scripts aangeroepen met de tag. Hier kan je en src in zetten en het zo koppelen met een javascript file.

De button tag die je in de HTML kan zetten heeft ook een onclick attribute. Zo kan je instellen dat er wat gebeurd als je op die button klinkt. Dit kan er zo uit zien: onclick=”alert(‘’);

Het kan soms ook gevaarlijk voor je machine zijn om door het internet te browsen. Daarom hebben de browser een limiet aan javascript gehangen.

#
- Chapter 14: The Document Object Model

De structuur die een browser gebruikt om je website weer te geven is het DOM (Document Object Model). Je moet denken dat je website een soort boom is. De body is bijvoorbeeld en stam en de tags zijn vertakkingen die allemaal uit elkaar komen. Elke node kan verwijzen naar een child die ook zelf daar weer een child in kunnen hebben.

Nodes zijn te maken met de document.createTextNode method. Als je hier een string aan vast zet insert de node het op het scherm. Als je een solid collectie wilt van nodes, in plaats van eentje die live is moet je de collectie naar een array zetten door middel van Array.from.

Je kan door javascript sommige attributen van elementen veranderen, zoals de href.

De layout van tags zijn ook anders. de p en h1 tags nemen bijvoorbeeld de width van het document over en zijn op aparte regels. Dit zijn block elementen. Andere tags zoals a en strong zijn inline elementen en die zijn op dezelfde lijn.

Je kan de width en height van een element in de Javascript aanvragen door middel van offsetWidth en offsetHeight. Dit wordt in pixels gegeven. Met clientWidth en clientHeight kan je de grootte van een inside element zien, dit negeert de border.

Styling kan je ook in een html element doen door middel van style in een tag te zetten. Maar je kan het beter in een CSS (Cascading Style Sheet) file zetten. Hier verzamel je de style’s van je elementen en kan je dezelfde style op verschillende pagina’s gebruikt door het te linken met de HTML.

Met de querySelector kan je dingen in je Javascript oproepen. Met querySelectorAll method pak je een selector string en geeft het een Nodelist terug met alle elementen die matchen.

Contributor guide

No contributing guide indexed for this repository

Research direction

The payload names no repository file, test, or entry point. Start by locating where chapter summaries are kept, then use the supplied material for chapters 4, 13, and 14; done means the summaries are added or updated in the appropriate location.

Written by the indexing model from the issue text.

Assessment

Tech stack
css, html, javascript
Domain
content, documentation, web-dev
Issue type
Documentation
Difficulty
2/5
Estimated time
1-3 hours
Activity status
Stale
Clarity
Needs clarification
Newbie friendliness
35/100

Get new issues in your inbox

A short digest of beginner-friendly GitHub issues.